De spelregels
Spelregels Jeu de Boules (Petanque)
Hieronder vind je de Fédération Internationale de Pétanque et Jeu Provençal (FIPJP) spelregels van petanque in het kort.
Spelvormen
Jeu de boules wordt gespeeld door twee teams. Er zijn drie officiële spelvormen:
Tête-à-tête
- 2 spelers (1 tegen 1) – Iedere speler speelt met 3 boules.
Doublette
- 4 spelers (2 tegen 2) – Iedere speler speelt met 3 boules.
Triplette
- 6 spelers (3 tegen 3) – Iedere speler speelt met 2 boules.
Algemene spelregels Jeu de Boules (Petanque)
Boules en but
De boules hebben een diameter van 70,5 tot 80 mm en een gewicht van 650 tot 800 gram. Ze moeten voldoen aan de internationale wedstrijdreglementen.
Begin van het spel
Voor aanvang van de wedstrijd wordt door middel van loting (bijvoorbeeld met een muntstuk) bepaald welk team mag beginnen.
1. De werpcirkel
Het team dat mag beginnen, bepaalt de speelplek en tekent een werpcirkel met een diameter van 35 tot 50 cm. De cirkel moet zich minimaal 1 meter van een obstakel of de rand van het speelterrein bevinden.
2. Werpen
Alle worpen worden uitgevoerd vanuit de werpcirkel. Tijdens het werpen moeten beide voeten volledig binnen de cirkel blijven en contact met de grond houden totdat de geworpen boule of het but de grond raakt. De boule wordt altijd onderhands geworpen.
3. Het but uitwerpen
Vanuit de werpcirkel wordt het but (het houten doelballetje) uitgegooid op een afstand van 6 tot 10 meter. Het but moet minimaal 1 meter van een obstakel of de veldrand liggen.
4. Eerste boule
Het team dat het but heeft uitgegooid, speelt ook de eerste boule. Het doel is deze zo dicht mogelijk bij het but te plaatsen. De speler die het but heeft geworpen, hoeft niet dezelfde speler te zijn die de eerste boule speelt.
5. Wie is aan de beurt?
Daarna speelt het andere team. Zij proberen een boule dichter bij het but te leggen dan de beste boule van de tegenstander. Dit kan door:
- een boule te plaatsen;
- een boule van de tegenstander weg te schieten;
- of het but te verplaatsen.
6. Doorspelen
- zij wel de beste boule hebben, of
- al hun boules zijn gespeeld.
Pas daarna is het andere team weer aan de beurt.
7. Einde van de werpronde (mène)
Wanneer beide teams al hun boules hebben gespeeld, worden de punten geteld.
Het team met de boule die het dichtst bij het but ligt, scoort. Voor iedere eigen boule die dichter bij het but ligt dan de dichtstbijzijnde boule van de tegenstander ontvangt dat team 1 punt.
Per werpronde kunnen 1 tot en met 6 punten worden behaald.
8. But buiten het speelveld
Komt het but tijdens een werpronde buiten het geldige speelterrein, dan gelden de volgende regels:
- Hebben beide teams nog boules over, dan wordt de werpronde ongeldig verklaard en opnieuw gespeeld.
- Hebben beide teams geen boules meer, dan wordt de werpronde eveneens opnieuw gespeeld.
- Heeft slechts één team nog boules over, dan ontvangt dat team evenveel punten als het aantal boules dat nog niet was gespeeld.
9. Nieuwe werpronde
- Het team dat de vorige werpronde heeft gewonnen, begint de volgende werpronde. Er wordt een nieuwe werpcirkel getrokken op de plaats waar het but aan het einde van de vorige werpronde lag.
10. Einde van de wedstrijd
De wedstrijd wordt gewonnen door het team dat als eerste 13 punten behaalt.
Uitzonderingen in het reglement
Bij een terrein van 4 meter breed moet de cirkel zich minimaal 1 meter van elk obstakel bevinden.
In incidentele gevallen worden de volgende afstanden gehanteerd:
- Bij een terrein van 3 meter breed: minimaal 75 cm van een obstakel.
- Bij een terrein van 2 meter breed: minimaal 50 cm van een obstakel.